Naar de hoofdinhoud

L'heure exquise

toelichting

l'Heure exquise

Met de tiende editie van de Exposition universelle vierde de Franse natie in 1889 de politieke stabiliteit en welvaart na de verschrikkingen van de Pruisische oorlog. Technologische en creatieve innovaties werden vanuit het buitenland naar Parijs gehaald. Het paradepaard van het grootse evenement, de 300 meter hoge Eiffeltoren op het Champs-de-Mars, diende als toegangspoort tot de paviljoenen. Miljoenen bezoekers zakten af naar de Franse hoofdstad waar alles borrelde en bruiste. Een gouden tijdperk leek aangebroken, maar gaandeweg sijpelden onder al die joie de vivre ook nieuwe politieke spanningen binnen, als een dreigende ondertoon.

Een tijdperk van verleidingen

Niet alleen de bezoekers keken hun ogen uit tijdens de prestigieuze wereldtentoonstellingen in 1889 en 1900; ook voor kunstenaars vormden de internationale tentoonstellingen en voorstellingen een prikkelende voedingsbodem. Die fascinatie voor het mysterieuze, kleurrijke en sensuele van andere culturen was niet nieuw. In de loop van de 19e eeuw had die al tot een nieuwe kunststroming geleid: het oriëntalisme. Zo schreef Victor Hugo in 1829 de dichtbundel Les Orientales, waarin hij uiteenlopende oosterse scènes vrijelijk verbeeldde. Het gedicht Les Djinns, genoemd naar de kwaadaardige geesten uit de Islamitische cultuur, inspireerde Gabriel Fauré (1845-1924) in 1875 tot het componeren van het gelijknamige werk voor koor en piano, waarin hij de bevreemdende sfeer verklankt.

 

 

Het publiek dat zich overdag een weg baande tussen de paviljoenen van de Exposition universelle, haastte zich ’s nachts naar de talrijke cafés-concerts, cabarets en music-halls in Montmartre. De bonte mix aan culturen en zinnenprikkelend entertainment werkte ook als een magneet op kunstenaars en musici. Aangetrokken door de vrijgevochten sfeer in deze wijk, ruilde Erik Satie (1866-1925) zijn ouderlijke middenklassewoning en het behoudsgezinde milieu aan het conservatorium in voor een sobere kamer op de Butte Montmartre. Om de kost te verdienen, trad hij op als pianist en arrangeur in de cabarets Le Chat Noir en later l’Auberge du Clou. Daar speelde hij piano of harmonium, en bewerkte hij chansons en operettefragmenten voor de talloze revues. Hij had een hekel aan het werk, maar het was de enige manier om als componist te overleven en zijn werken te publiceren. Hij ontmoette er onder andere Claude Debussy (1862-1918), met wie hij een jarenlange en tumultueuze vriendschap onderhield. 

 

Ook als componist was Satie een buitenbeentje. Hij verzette zich steeds meer tegen de dominante romantische traditie door zijn eigen pad te volgen. Toen hij in 1888 zijn pianocyclus Gymnopédies uitbracht, stuitte hij vooral op weerstand. De uitgepuurde melodieën, de statische harmonieën, de eindeloze herhalingen en de al even onverklaarbare titel stonden haaks op wat het Parijse publiek gewend was. Hun voorkeur ging uit naar de weelderige harmonieën zoals die uit Le temps des lilas van Ernest Chausson (1855-1899).

Tussen cabaret en salon

Terwijl Satie in de cabarets van Montmartre optrad, vertoefde zijn tijdgenoot Reynaldo Hahn (1874-1947) vooral in de chique salons van de Parijse bourgeoisie. Een eclectisch gezelschap, gaande van hertogen en Europese beroemdheden tot kunstenaars van divers pluimage, kwam er samen om te dineren, te converseren en te genieten van muziek. Favorieten tijdens deze muzikale avonden waren de chansons van Hahn zelf, maar ook van tijdgenoten als Fauré en Camille Saint-Saëns (1835-1921). Als grote bewonderaar van Schumanns liedkunst, componeerde Hahn meer dan honderd liederen, die hij zelf zong aan de piano. Zijn inspiratie vond hij in teksten van grote 19e-eeuwse dichters als Victor Hugo en Paul Verlaine. Ze geven de onbezorgde sfeer uit de Belle Epoque treffend weer.

Ook Saint-Saëns putte graag uit de Franse dichtkunst, zoals blijkt in Saltarelle. Hij componeerde dit levendige werk voor mannenkoor in 1885 naar een tekst van Emile Deschamps. De verzen bezingen een uitbundig feest waar de wijn rijkelijk vloeit en de muziek tot dansen verleidt. Rond diezelfde tijd componeerde Debussy het eerste en derde lied uit Trois Chansons de Charles d’Orléans, op verzen van de gelijknamige 15e-eeuwse Franse dichter. Debussy koos de middeleeuwse poëzie van d’Orléans bewust om haar ingetogen schoonheid en archaïsche klankkleur, die ver verwijderd staat van de weelderige romantische traditie. Hij begon aan het werk in 1898, maar voltooide het tweede lied van de cyclus pas tien jaar later, in 1908. 

Van Montmartre naar het front

Enkele jaren nadat Debussy zijn enige compositie voor a cappella koor publiceerde, componeerde tijdgenoot Maurice Ravel (1875-1937) ook een cyclus van drie liederen. In december 1914, midden in de eerste oorlogswinter, schreef hij zowel de teksten als de muziek ervan, volledig in de geest van de 16e-eeuwse Franse chansontraditie. De zorgeloze toon van het eerste en derde lied staat in schril contrast met het middenstuk, Trois beaux oiseaux du paradis. Daarin brengen drie paradijsvogels een meisje het nieuws van de dood van haar geliefde aan het front. De drie vogels – blauwer dan de hemel, wit als sneeuw en helrood vermiljoen – dragen niet toevallig de kleuren van de Franse vlag. Ravel wilde immers niets liever dan zijn vaderland dienen, maar werd verschillende keren afgewezen door zijn tengere lichaamsbouw. Uiteindelijk mocht hij als truckchauffeur aan de slag en was hij van dichtbij getuige van de gruwelen van de oorlog. De Belle Époque, met haar bruisende tentoonstellingen en nachtelijke cabarets, lijkt in Ravels compositie al een schim uit een ver verleden. 

tekst door Aurélie Walschaert