Een optimistische ode aan de vrede
Terug naar de eerder vernoemde avond in 1808. Door geringe repetitietijd – naar verluidt was een groot deel van het repertoire een zichtlezing voor het orkest – en het ambitieuze programma, was de uitvoering van de Koorfantasie rampzalig. Volgens ooggetuigen ‘viel het werk gewoon uit elkaar’ en werd er halverwege gestopt, om het werk vervolgens vanaf het begin weer in te zetten. Geen wonder dat het publiek er niet warm voor liep. Bovendien had Beethoven de verwachtingen aangescherpt met de groots aankondigende titel ‘Fantasie voor piano, vocale solisten, koor en orkest’.
Ondanks de magere ontvangst werkte Beethoven de compositie af. Het is niet helemaal zeker wie instond voor de tekst van het tweede deel: sommige bronnen vermelden de Weense dichter Christoph Kuffner, andere spreken over Georg Friedrich Treitschke, die ook het libretto schreef voor Beethovens opera Fidelio. Hoe dan ook, de boodschap van zowel de tekst als de muziek is er een van optimisme; een krachtige ode aan de vrede. Dat klinkt bekend in de oren, en dat is het ook: inhoudelijk, muzikaal en in bezetting wijst de Koorfantasie vooruit naar de koorfinale in Beethovens Negende Symfonie. Zelf beaamde Beethoven dat ook in een brief uit 1824: ‘De finale uit mijn Negende is een toonzetting van de woorden van Schillers onsterfelijke 'Lied an die Freude', op dezelfde manier als ik eerder deed in de fantasie voor pianoforte, maar dan op een veel grotere schaal.’
In de geest van Palestrina
Zo temperamentvol en daadkrachtig als Beethoven was, zo terughoudend was Bruckner. Hij aarzelde lang tussen lesgeven en componeren, en toen hij uiteindelijk toch voor een componistenloopbaan koos, bleef de twijfel knagen: waren zijn werken wel goed genoeg? Die onzekerheid had ook een positieve keerzijde; ze dreef hem ertoe zich voortdurend bij te scholen, waardoor hij een ongeziene muzikale vakkennis opbouwde.
De kiem van Bruckners muzikale taal werd gelegd in zijn jonge jaren, toen hij als koorknaap meezong tijdens de vieringen in het klooster van Sankt Florian. Daar werden zijn geloof en zijn passie voor muziek aangewakkerd. Bruckner componeerde een aanzienlijk religieus repertoire bij elkaar, met acht missen, twee requiems en een veertigtal motetten. In die kleinschalige religieuze werken zocht hij naar een manier om zijn vernieuwingsdrang te verzoenen met de meer behoudsgezinde ideeën van het Caecilianisme dat toen in opmars was. Onder leiding van componist en priester Franz Xaver Witt, ijverde die beweging voor een herwaardering van Gregoriaanse gezangen en de serene, polyfone stijl van renaissancecomponist Palestrina. Het motet Virga Jesse is een mooi voorbeeld van Bruckners zoektocht naar een evenwicht tussen helder contrapunt en meer gewaagde harmonieën en chromatiek.
De brutaalste
Na een korte loopbaan als onderwijzer ging Bruckner in 1855 aan de slag als organist van de kathedraal van Linz. In 1868 werd hij benoemd tot professor harmonie en contrapunt aan het conservatorium in Wenen – in die periode hét mekka voor componisten. In Wenen wilde Bruckner bewijzen dat hij meer was dan een kerkmusicus: hij droomde van een carrière als groot symfonicus. Hij componeerde er het merendeel van zijn symfonieën, waarvan er negen officieel genummerd zijn en één onvoltooid bleef.
De weg naar erkenning verliep moeizaam: zijn symfonieën raakten amper uitgevoerd, en als hij dan toch een orkest of dirigent bereid vond om zijn composities te spelen, waren de kritieken vaak vernietigend. Het gevolg: Bruckner bleef aan zijn symfonieën schaven, tot verschillende keren toe. Zijn Zesde Symfonie vormt daarop een uitzondering; het is een van de weinige die hij zelf niet meer herwerkte. Hij componeerde het werk tussen 1879 en 1881 en stond er meteen helemaal achter. ‘De Zesde is de brutaalste’, zo noemde hij ze. Die zelfverzekerdheid klinkt ook in de muziek: met haar compacte speelduur van een uur vormt de symfonie een opvallend contrast. Ze klinkt frisser, met meer zwier en ritmische vaart.
Zelf hoorde Bruckner zijn Zesde nooit live. In 1883 voerde het Wiener Philharmoniker enkel de twee middendelen uit. Pas veertig jaar na zijn dood ging de volledige symfonie in première, onder leiding van Gustav Mahler. Die bracht overigens wel enkele kleine wijzigingen aan in de instrumentatie en verkortte hier en daar een passage.
tekst van Aurélie Walschaert