toelichting: Beethoven & Bruckner
Het lijkt vandaag minder vanzelfsprekend, maar aan het begin van de 19e eeuw was het de gewoonte dat een concert meerdere uren in beslag nam. Tijdens zo’n avond passeerde een bonte mix aan genres de revue, van symfonieën of concerti, tot aria’s uit opera’s, solowerken of zelfs hele koorwerken. Op 22 december 1808 organiseerde Ludwig van Beethoven (1770-1827) zo’n vier uur durend marathonconcert in het Theater an der Wien. Op het programma: zijn Vijfde en Zesde Symfonie, het Vierde Pianoconcerto, een aria, twee fragmenten uit de Mis in C en een improvisatie aan de piano. Als passende afsluiter wilde Beethoven een ‘briljante finale’ waarin de verschillende instrumentengroepen uit het concert samen zouden komen. Hij kondigde het werk aan als ‘een improvisatie voor piano met een geleidelijke inzet van het orkest en tot slot een finale met koor.’
Het werk in kwestie was een kladversie van wat later de Koorfantasie, Op. 80 zou worden. Beethoven stond er namelijk om bekend zijn composities soms eerst in een ruwe vorm uit te voeren, om ze pas nadien definitief af te werken. Zowel in melodie als in boodschap wijst de Koorfantasie vooruit naar de Ode an die Freude uit zijn latere Negende Symfonie. Die zou op haar beurt uitgroeien tot een model voor de monumentale symfonieën van Anton Bruckner (1824-1896).
Bruckner noemde Beethoven 'de incarnatie van alles wat groots en subliem is in de muziek' en zag het symfonische model van zijn Negende als de perfecte basis voor zijn eigen symfonieën. Ook in speelduur sloot hij daarbij aan: met gemiddeld zeventig minuten zijn Bruckners symfonieën groots van opzet. Zijn Zesde Symfonie vormt een opvallende uitzondering: ‘Kan men de meeste van Bruckners symfonieën vergelijken met een fiere barok-kathedraal,' schreef een Amsterdamse recensent in 1930, ‘dan lijkt de Zesde meer op een kapel – intiem en doorzichtig, staande in een open, zonnige plek van een fier woud.’